Dit opiniestuk verscheen in verkorte vorm in het Financieele Dagblad op 9 november, 2021.



Afgelopen vrijdag schreef CPB-directeur Pieter Hasekamp in het Financieel Dagblad dat de bijlesindustrie het publiek onderwijs dreigt uit te hollen. Hij acht het een onwenselijke ontwikkeling dat commerciële bijlesbedrijven (deels) gebruik maken van publieke middelen omdat dit de ongelijkheid op onze scholen vergroot. Deze gevolgtrekking klinkt nobel maar gaat mank. De groei van deze industrie is namelijk een reactie op die uitholling, niet de oorzaak. Dat zowel het CPB als haar directeur anno 2021 nog altijd met “onbeantwoorde vragen” zitten over de aanleiding voor de toename van “schaduwonderwijs” is veelzeggend. Het mag dan ook (g)een verassing zijn dat juist de veelvoorkomende drogredenering in het artikel bijdraagt aan de besproken problematiek. Met andere woorden: terwijl het CPB en beleidsmakers achter de feiten aanhollen – bloeien het commerciële onderwijs en de kansenongelijkheid in hun kielzog.

Allereerst wil ik benadrukken dat de heer Hasekamp een terecht en belangrijk punt aansnijdt. De vercommercialisering van ons onderwijs is in sommige opzichten uiterst problematisch, in het bijzonder daar waar het basis- en middelbare scholen betreft. Dat de schoolcarrière van kinderen op jonge leeftijd in toenemende mate afhankelijk wordt van het inkomen van ouders, is een on-Nederlandse gotspe. Dat een van oudsher publiek instituut met, een primaire publieke taak, zich laat lenen voor commerciële diensten – aanvullend of noodzakelijk? – schuurt zowel ethisch als juridisch.

Ergernis over dit aspect van een verander(en)d speelveld, mag echter niet leiden tot een vertroebeld beeld en daarmee onjuiste diagnose. Hasekamp vraagt zich af of het aanbieden van ‘schaduwonderwijs’ leidt tot kansenongelijkheid in ons publieke onderwijs. Prima facie is dit een terechte vraag. Echter gaat deze voorbij gaat aan de kern van het probleem: de uitholling van publiek onderwijs en toenemende kansenongelijkheid als gevolg van verkeerde beleidskeuzes en analyses zoals in zijn artikel. Een meer fundamentele vraag is wellicht: waarom is het publiek onderwijs eigenlijk niet meer voor iedereen gelijk toegankelijk? Waarom kiezen ouders, scholen, leerlingen en studenten in toenemende mate voor het nemen van bijles? Zou het misschien zo kunnen zijn dat men juist de ontstane kansenongelijkheid tracht te beperken? De bijlesindustrie lijkt zo verworden tot laatste (en dure) strohalm in een ontoereikend onderwijssysteem. En waarop richten overheid, politici en instituten als het CPB hun pijlen? Op het stigmatiseren (“schaduwonderwijs”), inperken en afschaffen van juist die strohalm. Symptoombestrijding pur sang.

Het Nationaal Programma Onderwijs (NPO), bedoeld voor “herstel en ontwikkeling van het onderwijs tijdens en na corona,” illustreert bovenstaande dynamiek. De gebrekkige transparantie van onderwijssubsidies lag al onder vuur door onder meer de Algemene Rekenkamer, maar de NPO-gelden blijken – vanwege hun ad hoc in plaats van structurele karakter – sommige problemen zelfs te verergeren. Het personeelstekort, en dan met name in de grote steden en het speciaal onderwijs waar problemen al het nijpendst waren, lijkt door de NPO-gelden juist te zijn toegenomen (net als de werkdruk). "Ik had liever dat we met deze miljarden iets structureels zouden doen", zegt René Jansen van OBS B in Steenwijk. "De klassen verkleinen en de loonkloof tussen het basis- en het voortgezet onderwijs dichten. En bovenal het lerarentekort in de Randstad oplossen." Een logische maar ironische consequentie, schrijven Mirjam Remie en Patricia Veldhuis in juli in het NRC, is dat het extra geld de kansenongelijkheid juist versterkt. Eenzelfde conclusie als Hasekamp dus, maar als gevolg van een meer realistische diagnose.

Ergo, de uitholling van publiek onderwijs in Nederland is beter te begrijpen én te verhelpen door de bijlesindustrie niet als oorzaak maar als gevolg ervan te beschouwen. Als het CPB en anderen daadwerkelijk geïnteresseerd zijn in het oplossen van deze problemen, dan zouden de actoren in het zogenaamde schaduwonderwijs (samen met leraren) hun eerste gesprekspartners dienen te zijn. Want als het zelfs nieuw opgerichte bedrijven lukt om onderwijsfinanciering binnen te slepen, valt daar misschien wel wat te leren.